De Noord-Westelijke hoek van Italië, aan de grens met Frankrijk, wordt gemarkeerd door een uitloper van de Alpen. In deze gevarieerde streek ligt Valle d’Aoste, een prachtige vallei die enorm veel te bieden heeft aan jong en oud. De bevolking gaat met z’n tijd mee en biedt je als bezoeker het nodige comfort, maar heeft tegelijkertijd veel respect voor tradities en de overweldigende natuur. De bergen zijn de baas. Gulle bazen echter, want de aanblik alleen al is onbetaalbaar mooi. Voor sportievelingen is dit een walhalla, want wielrenners en mountainbikers vinden er uitdagende parcours, terwijl hikers en alpinisten er ook aan hun trekken komen. Tijdens de komende Tour de France zullen de equipes over de uitdagend kronkelende, vaak stijle bergwegen van de Valle d’Aosta moeten ploeteren.
Ik ga naar het Aostedal om eens te proeven van de varieteit aan activiteiten. Het letterlijk en figuurlijke hoogtepunt zal de beklimming van de Gran Paradiso berg zijn. 4061 meter hoog, jawohl. Ik kijk er een beetje tegenop (ha, de woordspelingen zijn weer niet van de lucht), want het klinkt me vooral erg zwaar, ook al wordt deze tocht omschreven als ideaal voor beginnende alpinisten. Of ik zelfs maar in die beginnerscategorie val, zullen de komende dagen uitwijzen.
Dag 1
Wekker, blub, opstaan, voedzaam (lees: vettig) ontbijtje, backpack opbinden en hup naar het station: trein gehaald. Ik mag dan nog zo chaotisch overkomen, voor belangrijke en/of heel leuke zaken weet ik mij best te organiseren. En vandaag is heel leuk en belangrijk, want ik zit op de trein naar Zaventem, waar ik straks inscheep om te vliegen naar Milaan.
Ik ontmoet mijn reisgenoten op Zaventem. We moeten allemaal nog een beetje wennen aan de vroegte. Gelukkig val ik in het vliegtuig vrijwel direct als een blok in slaap. Als ik weer wakker word, roept de piloot om dat we bijna gaan landen. Ideaal. Een chauffeur wacht ons op. Het is mijn eerste kennismaking met de galantheid van de Italiaanse mannen, want als ik denk dat hij me een hand wil geven, gebaart hij juist dat hij mijn backpack van me over wil nemen. Nice! Met een privé busje worden we naar Valsavarenche gereden. Met de minuut wordt het landschap spectaculairder: de bergen hoger, de kliffen dieper en het water in de rivieren wilder.
Na bijna 3 uur rijden komen we aan bij het Hostellerie du Paradis in Valsavarenche. Weer mag ik mijn backpack niet zelf dragen als ik wordt voorgegaan naar mijn kamer, die overigens een stuk groter is dan die van mijn mannelijke collega’s. I could get used to this! Even later volgt de reality check: vier grote gele tassen wachten op ons. Er in zitten Gore Tex bergschoenen, crampons (van die metalen pinnen voor onder je bergschoenen), een harnas en een pikhouweel. Ik voel me licht geïntimideerd, vooral door het laatste object.
’s Avonds genieten we van een uitgebreid diner met allerlei lokale specialiteiten. In deze streek zijn dat vooral veel kazen en vlees. Varkensvlees en smakelijk vetspek dat smeert als boter zijn hier sterk vertegenwoordigd. Diverse lekkere wijnen uit het Aostedal passeren de revue. De markante, rondbuikige hotellier begeleidt elk hapje en drankje met een smakelijke anekdote.
Dag 2
“Goedemorgen,” grijnst het pikhouweel naast mijn bed. “Grrr,” grom ik terug en begeef mij richting badkamer. Waar ben ik aan begonnen, vraag ik mij voor de zoveelste keer af. Een berg beklimmen, ik?? Like uh yeah, right. Na het ontbijt ontmoeten we Giovanna Mongilardi, de vrouw die ons zal begeleiden op onze bergtocht. Ze is klein van gestalte, maar zeer athletisch gebouwd. Dat ze gemaakt is voor de bergen merken we al tijdens de ochtendsessie rotsklimmen. Nadat wij onszelf een paar keer omhoog hebben gesukkeld, vliegt zij als een spinnetje langs de rotswand naar boven. Het is niet eerlijk!
Na de lunch is het tijd voor de eerste etappe. Bepakt en met frisse moed beginnen we aan het bergpad wat ons vandaag halverwege de berg zal brengen. Onderweg genieten we van de flora en fauna (marmotten! gemsen!) en het steeds indrukwekkender zicht op de vallei en de omringende bergen. Het pad kronkeld eerst nog tussen de bomen, tot we op een hoogte komen dat de begroeiing steeds lager wordt. Na ongeveer 2,5 uur bereiken we Refuge Chabod op 2250 meter hoogte. Deze berghut dient als hostel voor alpinisten. Het is er flink druk, wat normaal schijnt te zijn: van tevoren reserveren is dan ook een must. Het is verbazingwekkend hoeveel (relatieve) luxe hier is. Want bedenk je wel dat al het materiaal is aangevoerd met helicopters. Van de bouwmaterialen tot de douchecabines en stapelbedden aan toe. Het personeel dat hier werkt woont ook effectief een heel seizoen óp de berg. Moe maar voldaan genieten we van een eenvoudige maaltijd en kruipen vroeg in bed. We zetten onze wekkers om 4.15 uur. Ouch…
Dag 3
4.15 uur dus. In onze 4 persoonsslaapzaal gaat de een na de andere wekker af. Gelaten kruipen we uit bed. Ik ben nerveus, wetende dat vandaag een enorme beproeving gaat zijn. Om 5 uur staan we op het terras van de refuge. Het is nog donker, maar op de berg zien we al verschillende slierten lichtjes dwalen. Daar lopen wij straks ook… Onze tocht gaat nog een klein stukje over onbesneeuwde bergpaden. Na een kwartiertje stappen we door de eerste sneeuw. Als we even later onze crampons onderbinden, het harnas aanhijzen en het pikhouweel in de hand nemen, wordt de ernst van de situatie nog eens duidelijk: de komende uren gaan we ploeteren! Ploeteren door de sneeuw, op een gletsjer… en dat op een zondagochtend. Eenmaal in de sneeuw binden we onze crampons onder en nemen de pikhouweel in de hand. We praten niet veel, iedereen wil zijn energie sparen. Daardoor is het heerlijk stil op de berg. Af en toe vliegt er een vogel langs, of passeren we collega alpinisten, maar verder hoor je enkel ons geschuifel door de sneeuw.
Zoals ik al vermoedde, is het erg inspannend. Ik ben dan ook geen fysiek wonder en op het onsportieve af, maar ik de weken voor de tocht zo veel mogelijk gefitnessed om wat conditie te kweken. Toch breek ik na de eerste 2,5 uur. Het valt me zwaar te weten dat we nog maar misschien-bijna-in de buurt van halverwege zijn. Maar we moeten door, dus raap ik mezelf bijeen en stappen we zwijgend voort. Dan verschijnt de zon boven de bergkam. De grijzige sneeuw wordt rap verjaagd door een wit, glinsterend tapijt van ijskristallen. The Stranglers zingen ‘Always the sun’ in mijn hoofd. Ruim een uur later pauzeren we, op een hoogte van ongeveer 3800 meter. Goivanna laat ons hier beslissen om door te gaan of aan de afdaling te beginnen. Het laatste stuk zal namelijk nog een uur klimmen zijn en een aanzienlijk deel van de laatste honderden meters zien er slopend stijl uit. Tegelijkertijd lijkt de top al zo dichtbij dat we de victorie (op onszelf toch) ruiken en zonder aarzelen opteren we voor tocht naar de top. Ik geef alles, ga in robotmodus en klim alsof ik nergens last van heb. Stap stap stap, door door door, steeds m’n mantra herhalend: ik wil het, ik kan het. Ik wil het, ik kan het. En inderdaad, ik kan het.
Het uitzicht vanaf de top is magnifiek. Als reuzen staan we tussen de bergtoppen. Tegelijkertijd voel je je enorm klein. De Mont Blanc schittert even verderop in de zon, net als ontelbare andere bergtoppen en gletsjers rond ons. Het is een prachtig zicht en een geweldig gevoel, want we hebben het toch maar mooi gedaan!
Nadat we het Mariabeeld op de top gegroet hebben (‘Juu!’) beginnen we aan de terugtocht. Die is heftiger dan ik had ingecalculeerd. Het is een heel andere beweging die je maakt om naar beneden te lopen. Je gebruikt andere spieren en het is minder intensief. Maar toch… doordat ik praktisch alles gegeven heb in de klim, heb ik te weinig reserves voor de afdaling. Er zit pap in m’n benen en ik kan ze maar met moeite gecontroleerd voor me zetten. Als ik om de twee stappen begin om te vallen verlies ik weer even de moed. Ik mag mij dan op sommige stukken van de berg laten glijden. Zeg maar sleetje rijden zonder slee. Het is weinig elegant, maar een stuk efficiënter. Ik ben blij als we Refuge Vittorio Emanuele bereiken. Niet alleen betekent dit dat we een lunch voorgeschoteld krijgen, maar het gebouw markeert ook de overgang van het besneeuwde naar het onbesneeuwde gedeelte van de berg. Ik heb het wel even gehad met de sneeuw! Vanaf de Refuge is het nog een goede anderhalf uur sjokken naar beneden. Ik kom als laatste aan. Kapot. We hebben vandaag 14 uur gelopen. Wow…
Dag 4
Auw aaaauw aauaaauwaauw auwww… Alles doet zeer, vooral mijn benen. Met moeite krijg ik ze in beweging. M’n gezicht doet pijn van de zonnebrand. En geloof het of niet, maar vandaag staat er nóg een activiteit op het programma. Giovanna komt ons na het ontbijt ophalen voor een potje dry canyoning. Canyoning is het volgen van een rivier door een bergkloof. Je moet onder andere klimmen, abseilen, springen en death rides doen om het parcours af te leggen. Ik heb dat in Australië al eens gedaan en vond dat geweldig. Weer: ik ben er geen ster in, maar ik doe het wel graag. Bovendien was ik blij dat we nu iets gingen doen waarbij we meer de armspieren gingen gebruiken. Het La Gordze du Terre-parcours is zeker niet moeilijk, maar zeker wel spannend genoeg voor beginners.
Na een laatste lunch in de hostellerie brengt een taxi ons tot de luchthaven van Milaan. Het weekend zit er op, tijd om terug te gaan naar ons Vlakke Land.
Conclusie
En hoe was het?
Zwaar! Maar het geeft wel een ongelooflijk voldoenend gevoel als je zo’n berg bedwongen hebt. Ik ben best trots, even het feit negerend dat ik behoorlijk heb afgezien. M’n lijf moet nodig nog eens apart op vakantie, want m’n spieren doen nog altijd pijn. De concepten ‘omhoog’ en ‘omlaag’ en felle zon kunnen me even gestolen worden.
Ik ben geen ‘mountain material’, zoveel is duidelijk. Enkele jaren geleden mijmerde ik erover de Kilimanjaro of de K2 te beklimmen. Leek me wel stoer. Zoiets waar je altijd mee kunt uitpakken op feestjes en partijen. ‘Ja, toen ik dus op 6000 meter zat, waaide bijna mijn tent van de berg jong!’ Never a dull moment. Ik denk toch dat ik ga passen. Een berg van 4061 meter was al een beproeving. Iets wat ik later aan mijn kleinkinderen kan vertellen. Natuurlijk komen er dan bij elke vertelling sowieso nog 100 meters bij. Naargelang het aantal kleinkinderen haal ik dan misschien toch nog de top van de K2. Affijn.
Spijt?
Nee jong! Zijde zot! Ik ben dolblij dat ik het gedaan heb en had de ervaring voor geen goud willen missen. Het was fantastisch, op een masochistische manier. Ik kan het iedereen aanraden. Maar voor wie zoals ik gezegend is met een stadslijf (lees: weinig getrained, geen klimmen gewend) zou ik wel aanraden om een paar hiking trails te doen. Al is het maar in de Ardennen. Voor wie wat sportiever is aangelegd is deze trip logischerwijs minder inspannend. Een goede portie uithoudingsvermogen kweken is geen overbodige luxe. Sunblock trouwens ook niet. Want mijn geliefde Aveda Daily Light Guard was echt niet afdoende beschermend op de berg. Zinkzalf is the way to paste.
Pfieuw, je moet er iets voor over hebben. Toch ben ik vooral trots op het feit dat ik het gedaan heb.
De Noordwestelijke hoek van Italië, aan de grens met Frankrijk, wordt gemarkeerd door een uitloper van de Alpen. In deze gevarieerde streek ligt Valle d’Aosta, een prachtige vallei die enorm veel te bieden heeft aan jong en oud. De bevolking gaat met z’n tijd mee en biedt je als bezoeker het nodige comfort, maar heeft tegelijkertijd veel respect voor tradities en de overweldigende natuur. De bergen zijn de baas. Gulle bazen dan wel, want de aanblik alleen al is onbetaalbaar mooi. Voor sportievelingen is dit een walhalla: wielrenners en mountainbikers vinden er uitdagende parcours, terwijl hikers en alpinisten er ook aan hun trekken komen. Tijdens de komende Tour de France zullen de equipes over de uitdagend kronkelende, vaak steile bergwegen van de Valle d’Aosta moeten ploeteren.
Ik ga naar het Aostadal om eens te proeven van de varieteit aan activiteiten. Het letterlijk en figuurlijke hoogtepunt zal de beklimming van de berg Gran Paradiso zijn. 4061 meter hoog, jawohl. Klinkt zwaar, maar deze tocht wordt omschreven als ideaal voor beginnende alpinisten.
(Meer…)